
In de morgen van 11 juli 1302 stonden bij Kortrijk ongeveer 9.000 Vlaamse strijders, grotendeels gewone burgers, ambachtslieden en boeren te wachten op de aanval van het Franse ridderleger.
De machtige koning van Frankrijk had twee jaar daarvoor Vlaanderen volledig onderworpen. Hij had de populaire Vlaamse graaf vervangen door een Fransman, hij erkende de rechten van de Vlaamse steden niet en legde voortdurend hoge belastingen op om zijn dure oorlogen te kunnen betalen.
Het Vlaamse volk kwam in opstand onder leiding van een wever en een beenhakker. Toen de opstand breed gesteund bleek te worden, sloot de adel zich aan, onder leiding van de grafelijke familie.
De Franse koning kwam met zijn schitterende ridders het opstandige volk een lesje leren. Hij dacht met zijn geroutineerde leger die verzameling ongeregeld makkelijk in de pan te kunnen hakken. De praktijk bleek anders: De Franse ridders werden verpletterd. De Vlamingen behaalden een onmogelijk geachte zege.
De Vlamingen hadden vooraf afgesproken geen krijgsgevangenen te maken. Alle vijanden werden gedood. Toen de Franse ridders dat zagen, maakten velen snel rechtsomkeert. Ze waren gewoon gevangen genomen te worden om voor een mooi losgeld vrijgekocht te worden. Voetvolk werd gedood. Ridders bij uitzondering, min of meer per ongeluk. Het Vlaamse volk had lak aan deze riddertraditie.
Hendrik Conscience verwerkte deze tumultueuze periode in een lijvige roman waarin hij zijn liefde voor Vlaanderen en de Vlaamse taal op elke bladzijde bezingt.
In 1973 werd 11 juli uitgeroepen tot officiële feestdag van Vlaanderen.
